Paul van Ravenzwaaij is sinds 2010 directeur van 

JAN© Pensioenadviseurs en hij is de afgelopen jaren onder andere betrokken geweest bij de opzet van een ondernemingspensioenfonds, de waardering van actuariele pensioenverplichtingen en de begeleiding van pensioenverevening bij echtscheiding.

Daarnaast is hij de auteur van het boek Pensioen voor de DGA en heeft hij diverse bublicaties geschreven in een aantal pensioentijdschriften. Ook voor MeerBusiness Amsterdam zal Paul de komende tijd verschillende columns schrijven, die u hieronder kunt lezen.


Februari 2012

 

Zijn alle werknemers verplicht deelnemer in de pensioenregeling?

 

Ten aanzien van het begrip deelnemer heersen in de adviespraktijk diverse opvattingen. Dit terwijl de Pensioenwet hierover toch geheel duidelijk is.

 

De Pensioenwet gaat uit van de gedachte dat een werkgever de vrijheid heeft om zelf te bepalen of hij een werknemer een aanbod doet tot het sluiten van een Pensioenovereenkomst. Vervolgens heeft de werknemer dan de keuze of hij dit aanbod wil aanvaarden of niet. In eerste aanleg kunnen werkgever en werknemer dus gezamenlijk beslissen of de betreffende werknemer deelnemer wordt in de pensioenregeling.

 

De casus komt anders te liggen als de werkgever de eerder genoemde vrijheid niet heeft omdat hij onder de werkingsfeer van een Bedrijfstakpensioenfonds valt. Ook middels een CAO kan de vrijheid van de werkgever ingeperkt zijn. Het kan echter ook zo zijn dat de werkgever in de Uitvoeringsovereenkomst met een verzekeringsmaatschappij heeft afgesproken dat alle werknemers verplicht zijn om deel te nemen aan de pensioenregeling. Bij het afsluiten van een pensioenregeling bij een verzekeringsmaatschappij zal een werkgever dus vooraf moeten bedenken of er sprake gaat zijn van een verplichte deelname. Indien hij hiervoor kiest, kunnen de werknemers geen afstand doen van de geldende pensioenregeling.

 

Indien een werkgever slechts voor een gedeelte van zijn werknemers een pensioenregeling wil treffen dan biedt de wetgeving hiervoor voldoende mogelijkheid. Hij zal dit dan wel goed moeten vastleggen in de Uitvoeringsovereenkomst. Verder zal hij bij het aangaan van de arbeidsovereenkomst duidelijk moeten aangeven of hij de deelnemer een aanbod tot het sluiten van een pensioenovereenkomst doet.

 

Staat het de werkgever nu vrij om naar willekeur te bepalen wie er wel en wie er geen deelnemer worden in de pensioenregeling? Nee, hij moet zich wel aan diverse wettelijke bepalingen houden.

 

De Pensioenwet kent een zogenaamde groepsdefinitie op basis waarvan de werkgever de deelname aan de pensioenregeling kan beperken tot een groep van werknemers. Er zal dan sprake moeten zijn van een zuivere vaststelling wie er wel en niet tot de genoemde groep behoort. Het gaat hierbij dan niet om de functietitel maar om de inhoud van de werkzaamheden. Ook bestaat nog de mogelijkheid om iemand die tot de groep behoort toch uit te sluiten van de pensioenregeling indien dit van te voren maar heel goed is gecommuniceerd met de werknemer en er geen strijdigheid optreedt met de bepalingen uit de Wet Gelijke Behandeling.

 

Het uitsluiten van werknemers mag volgens de Pensioenwet niet gebeuren vanwege het feit dat de werknemer parttime werkzaam is. Ook mag de opname niet achterwege blijven op grond van een leeftijd vanaf 21 jaar.

 

De Wet Gelijke Behandeling verbiedt onderscheidt op basis van diverse grondslagen. Hierbij kan gedacht worden aan geslacht, nationaliteit en burgerlijke staat. Het gaat er dan wel slechts om dat gelijke gevallen gelijk behandeld worden. Ook is het mogelijk dat er in de betreffende casus sprake is van een geoorloofde discriminatie.

 

De vraag of alle werknemers verplicht deelnemer zijn in de pensioenregeling kan in bepaalde situaties ontkennend worden beantwoord. Wel is het in deze situaties essentieel dat zaken goed worden vastgelegd en gecommuniceerd met de betreffende werknemer!  

 

 

 


 Januari 2012

Welke waardering krijgt uw pensioenregeling?


Er bestaat in Nederland geen pensioenplicht. Als een werkgever toch besluit om een pensioenregeling te treffen, of hij is hiertoe verplicht, dan moet hiervoor premie worden betaald aan de pensioenuitvoerder. Het is echter de vraag of de werkgever met het betalen van deze premie wel aan alle financiële verplichtingen heeft voldaan of dat er in de toekomst nog een aanvullende betaling is vereist. Als het laatste namelijk het geval is, zal hiervoor een voorziening moeten worden opgenomen op de commerciële balans.


In Nederland moeten alle jaarrekeningen voldoen aan de Richtlijn voor de Jaarverslaglegging. In richtlijn RJ 271.3 staan de regels met betrekking tot Personeelsbeloningen-Pensioen. Tot begin 2009 ging deze richtlijn uit van de vraag of de pensioenregeling een mogelijk actuarieel risico in zich had in de toekomst. We noemden dit de risicobenadering. Sinds 2009 gaat de richtlijn uit van de verplichtingenbenadering. Hierbij is de vraag dus niet meer of er een risico op bijbetaling, of terugontvangst, van premies is maar of hiertoe een vaststaande verplichting is.


De richtlijn 271.3 kent de volgende, belangrijkste, bepalingen.


  1. De rechtspersoon dient de aan de pensioenuitvoerder te betalen premies als last in de winst- en verliesrekening te verantwoorden.

  2. De rechtspersoon dient aan de hand van de Uitvoeringsovereenkomst te beoordelen of en zo ja welke verplichtingen naast de betaling van de jaarlijkse aan de pensioenuitvoerder verschuldigde premie per balansdatum bestaat.

  3. Naast verplichtingen aan de pensioenuitvoerder kan sprake zijn van verplichtingen aan de werknemers. Deze verplichtingen kunnen voortkomen uit ondermeer een geheel of gedeeltelijk niet afgefinancierde toezegging. Voor zover toekomstige salarisverhogingen per balansdatum reeds zijn toegezegd, dient bij eindloonregelingen een voorziening voor het backservice element te worden opgenomen voor de uit de toegezegde salarisverhogingen voortvloeiende aanpassingen van de opgebouwde aanspraken.

  4. Het bedrag dat als pensioenvoorziening wordt opgenomen, dient een beste schatting te zijn van de bedragen die noodzakelijk zijn om de betreffende verplichtingen per balansdatum af te wikkelen.

  5. Voor pensioenregelingen voor directeur-grootaandeelhouders die in eigen beheer worden gehouden, dient een verplichting te worden opgenomen voor de per balansdatum opgebouwde onvoorwaardelijke pensioenaanspraken. Het is toegestaan deze verplichting volgens de fiscale grondslagen te waarderen.


Doordat de accountant verantwoordelijk is voor het opstellen van de jaarrekening en hij zich aan de genoemde richtlijn dient te houden, zal hij in de praktijk ook degene zijn die in eerste aanleg moet bepalen of er aanvullende verplichtingen zijn. Deze verplichtingen kunnen overigens ook bestaan uit een terugontvangst van pensioenpremies. Als verplichting kan gedacht worden aan aanvullende betalingen voor indexaties en aan terugontvangsten premieterugbetalingen bij uitgaande waardeoverdracht.


Door de richtlijn wordt beoogd dat de jaarrekening een beter beeld geeft van de werkelijke situatie van de onderneming. Voornamelijk bij financieringen, overnames en dividendbetalingen is dit wel van belang.


Hoewel de richtlijn toestaat om de pensioenregeling van de directeur-grootaandeelhouder in eigen beheer tegen fiscale grondslagen te waarderen, speelt juist hier het gevaar dat de werkelijke verplichting te laag wordt ingeschat waardoor het levenslang uitbetalen van het pensioen in gevaar komt. Ook bij een eventuele scheiding of de overdracht van het pensioenrecht treden hierdoor problemen op.


Welke waardering de accountant toekent aan de pensioenregeling blijft de vraag. Wel is het in ieders belang dat de jaarrekening een getrouw beeld geeft van de werkelijkheid!

 


 

November 2011

Vrijstelling van de verplichtstelling BPF een interessante optie?       

 

In Nederland bouwen ongeveer 80% van de werknemers hun pensioen op bij een Bedrijfstakpensioenfonds. Dit op grond van het gegeven dat de werkgever verplicht aangesloten is bij een BPF op basis van de Wet verplichte deelneming in een Bedrijfstakpensioenfonds 2000 (Wet BPF). De Wet BPF kent ook de mogelijkheid van vrijstelling van de verplichte deelname aan de pensioenregeling van het BPF. Mogelijk is dit voor u een interessante optie.


Omdat de Wet BPF uitgaat van een verplichte deelname kent de Wet BPF ook een Vrijstellingsbesluit waarin een aantal mogelijkheden voor dispensatie zijn vastgelegd. Het gaat dan om de volgende situatie:


  • vrijstelling op basis van bestaande eigen pensioenregeling;

  • vrijstelling in verband met groepsvorming;

  • vrijstelling in verband met eigen CAO;

  • vrijstelling in verband met onvoldoende beleggingsrendement;

De eerste vorm van vrijstelling geldt enkel bij de aanvang van de verplichte deelname door de werkgever. Indien de werkgever al minimaal 6 maanden een eigen pensioenregeling heeft, zal het BPF vrijstelling verlenen voor de verplichte deelname. Dit kan zich feitelijk slechts voordoen in de situatie dat de werkgever door wijziging van de bedrijfsactiviteit onder de verplichtstelling van het BPF komt te vallen of er sprake is van een uitbreiding van de verplichtstelling van een bestaand BPF waardoor de werkgever onder de werkingsfeer van het BPF komt te vallen.


De laatste mogelijkheid van vrijstelling is een situatie die jaarlijks opnieuw ontstaat. Een BPF is namelijk verplicht om jaarlijks een performancetoets uit te voeren over een periode van 5 jaar waarin het feitelijk behaalde beleggingsrendement van het BPF wordt vergeleken met het beleggingsrendement van de door het BPF vastgestelde normportefeuille. Indien de performancetoets, na correctie, negatief is, is het BPF verplicht om aan werkgevers die hierom verzoeken vrijstelling te verlenen voor de verplichte deelname.


Het vrijstellingsbesluit schrijft voor dat het BPF aan de vrijstelling wel de voorwaarde verbindt dat de werkgever een andere pensioenvoorziening sluit voor zijn werknemers die ten minste actuarieel gezien gelijkwaardig is aan de pensioenregeling van het BPF. Verder biedt het vrijstellingbesluit aan het BPF de mogelijkheid om een compensatie te verlangen voor het verzekeringstechnische nadeel dat het BPF heeft van de vrijstelling. Dit gegeven speelt voornamelijk bij werkgevers met een jong personeelsbestand.


Om de vraag uit de aanhef te kunnen beantwoorden zal dus eerst nagegaan moeten worden of uw pensioenfonds vrijstelling moet verlenen in verband met onvoldoende beleggingsrendement (geldt op dit moment voor 7 pensioenfondsen), wat de mogelijkheden zijn om een vergelijkbare pensioenregeling bij een verzekeringsmaatschappij onder te brengen en wat hiervan de premiegevolgen zijn en of het BPF een vergoeding vraagt voor het verzekeringstechnische nadeel. Pas als dit allemaal goed in beeld is gebracht, kan de vraag beantwoord worden en weet u of u een verzoek tot vrijstelling bij het BPF moet indienen.

 


 

Word ook MeerBusiness member!Word ook Member! Aanmelden nieuwsbriefNieuwsbrief
Facebook Twitter LinkedIn YouTube Flickr Blogger EventBrite
Kies uw regio
MeerBusiness Evenementen
MeerBusiness Evenementen RSS
Datum: 29-05-2013
'De Staat van de Stad': Trends en feiten over Amsterdam
Lees meer...
Datum: 05-06-2013
Varen met Directeuren
Lees meer...
Datum: 02-07-2013
Van Gogh My Dream Exhibition DiMiBo
Lees meer...
Datum: 12-07-2013
VrijMiBo bij Radisson Blu
Lees meer...
Datum: 02-09-2013
Academy Elevator Pitch
Lees meer...
   
Meer evenementen


MeerBusiness Facebook
MeerBusiness Nieuws
MeerBusiness Nieuws RSS
Hoe te profiteren van de interneteconomie
"De zorgen van ondernemers over hun winstgevendheid zijn fors gesteg...
Lees meer...
Jammen met Directeuren @ Soprano's Pianobar groot succes!
Op vrijdag 17 mei vond Jammen met Directeuren plaats in de Soprano's Pianobar ...
Lees meer...
NIEUW! Passe-partout membership voor MeerBusiness.
Doet of wilt u zaken doen in een groter gebied dan Haarlem-IJmond? Dan is er...
Lees meer...
   
Meer nieuws items
MeerBusiness Agenda
MeerBusiness Agenda RSS
MeerBusiness Twitter